De geschiedenis van de meter
In 1788 beginnen enkele landmeters met hun - achteraf vierjarig - karwij om de afstand van Duinkerke naar Barcelona op te meten. Daarvan heeft men de omtrek van de aarde afgeleid en daarvan weer de meter: het 10-miljoenste deel van de lengte van de meridiaan die van pool tot evenaar dwars over Parijs loopt.
In 1874 maakt men een prototype van de meter: een staaf van 90% platina en 10% iridium. Een paar jaar later komt men erachter dat bij de meting geen rekening is gehouden met de afplatting van de aarde bij de polen. De meter blijkt 0,2 mm korter te moeten zijn.
Het gevolg is een nieuwe staaf (1889) en die wordt nog steeds bewaard in het Bureau International des Poids et Mesures in Parijs.
In 1960 vindt men die meter echter weer niet nauwkeurig genoeg en opnieuw wordt de lengte vastgesteld: 1650763,73 keer de golflengte van de kryptonlaser.
In 1983 werd die kryptonmeter niet constant genoeg bevonden en sindsdien is een meter exact de afstand die het licht aflegt in één seconde, gedeeld door 299.792.458.
Gegevens: Jongens en wetenschap; Oosthoek encyclopedie.

