Drie veel voorkomende Jannen
Jan Klaassen
De Haarlemmer Jan Claessen was trompetter in het leger van
stadhouder Willem de Tweede. Toen dit leger werd ontbonden, kreeg
Claessen een vergunning om op de Dam van Amsterdam een poppenkast
te beginnen. Jan Claessen werd er populair mee en het publiek
ging de belangrijkste pop van zijn poppenspel 'Jan Klaassen'
noemen.
Jantje-van-leiden
De Leidenaar Jan Beukelszoon was kleermaker en stond erom bekend
dat hij na gemaakte fouten met mooie praatjes wist te voorkomen
dat hij zijn werk opnieuw moest doen. Beukelszoon sloot zich aan
bij de Wederdopers, een fanatieke sekte, en trok in 1534 naar de
Duitse stad Munster. Daar kreeg hij door zijn redenaarstalent
veel aanhang en na een bloedige machtsgreep liet Jan Beukelszoon
van Leiden zich tot koning van Munster uitroepen. In 1536 werd
hij door tegenstanders ter dood gebracht. Zijn mooipraterij
leverde de uitdrukking 'zich er met een jantje-van-leiden
afmaken' op.
Jan Splinter
Toen Marcel van Dam in de Tweede Kamer zat, viel hij het
kabinet Lubbers aan op enkele bezuinigingsplannen. Daarbij
gebruikte hij de uitdrukking: 'Hoe komt Jan Splinter door de
winter.' De echte Jan Splinter leefde in de zestiende eeuw en was
penningmeester van enkele tehuizen voor bejaarde nonnen in Delft
en Schiedam. Toen Splinter zelf te oud was om te werken, dreigde
hij midden in de winter op straat te worden gezet. Hij redde zich
eruit door te suggereren dat hij koffers vol geld en
waardepapieren had, die na zijn dood door het tehuis geërfd
zouden worden. Jan Splinter mocht blijven, maar toen de koffers
na zijn dood werden geopend bleek er namaakgeld in te zitten.

