Eén van de oudsten van Genhout
Er speelt een glimlach op haar gezicht. Ze weet, waarvoor ik kom. Haar één-en-negentigjarige hand trilt een beetje, als ze de kopjes op tafel zet. Nou, mag het?
Bijna drieëntwintig jaar geleden kwam ze wonen in de aanbouw van het huis van haar zoon en schoondochter aan de Grootgenhouterstraat. Ze wilde ook haar naambordje erbij, op de deurpost: M.J.J. Goltstein-Klaver.
"Ik ben gelukkig nog goed gezond en woon hier erg tevreden," zegt ze, "en ik vermoed, dat de kinderen er ook weinig problemen mee hebben."
Ze ziet mijn knikje en vervolgt: "Ik denk, dat ik er niet meer geweest was, als ik hier niet zou wonen."
Ik kijk haar verbaasd aan. Dat is toch wel een boute uitspraak en bovendien is-ie nieuw voor me.
"Ja," vervolgt ze, "het geeft me een beschermd gevoel en ook het gevoel, dat ik er nog bíj hoor. Bovendien, als ik naar de kerk wil, of als er iets stuk is of anderszins niet in orde, dan kan ik altijd bij ze aanbellen."
Plots verschijnt er een zorgelijk trekje om haar mond.
"Als je oud wordt, gaan er twee dingen spelen. Aan de ene kant is er het feit, dat je afhankelijker bent van anderen en aan de andere kant wil je nog zoveel mogelijk zélf doen. Die aspecten komen wel eens in conflict met elkaar en kunnen dan wat wrevel opwekken, bijvoorbeeld, als ik me weer eens via de steile trap naar boven heb gewerkt."
Ze kijkt me ondeugend aan.
"Logisch," antwoord ik, "de kinderen van u zijn natuurlijk bang, dat u een keer van die trap af valt."
Zo, dat is dan maar weer eens gezegd! En nu staat het ook nog zwart op wit!
"Is er iets, dat u nog graag een keer zou willen?" vraag ik.
Er komt een glimlach op haar gelaat.
Ze staat op en wijst in de verte. "Daarginds is een nieuwe boerderij gebouwd," zegt ze. "Ik zou nog wel eens in de stal willen kijken. De koeien zien en ruiken. En er schijnt een machine te zijn, die de koeien automatisch melkt."
Ze neemt weer plaats in haar schommelstoel.
"Het lijkt me niet zo'n toer, om aan deze wens te voldoen," zeg ik en wijs naar de buren.
"Ja, Ja," lacht ze, "moet ik toch wéér een beroep op ze doen!"
"Ik weet zeker, dat het geen probleem is," antwoord ik.
Nóg een vraag.
"Er zullen vast óók wel vervelende zaken zijn," zeg ik en kijk haar onderzoekend aan.
De oude dame fronst haar voorhoofd, zodat er nog enkele rimpels bij komen.
"Vakanties," zucht ze, "die zijn vervelend. Je weet, dat ik het liefste thuis ben en als ik die paar weken in het jaar niet alleen wil zijn, moet ik toch bij iemand anders gaan bivakkeren."
"Tja," zeg ik en maak een bevestigend gebaar.
A.G.




